De 13 rubrieken waar het fout kan lopen op je rijexamen
De 13 rubrieken stap voor stap. Lees elke pagina en vink aan om verder te gaan.
Alle 13 examenrubrieken: uitleg op één pagina
Lees de volledige uitleg hieronder of gebruik de stappen bovenaan om per rubriek te oefenen.
1. Bediening van het voertuig
Je bedient je auto vlot en houdt je aandacht bij het verkeer.
- Stel je stoel, hoofdsteun en spiegels correct in. Draag je gordel correct.
- Schakel tijdig naar de juiste versnelling. Duw de koppeling volledig in bij het schakelen en laat ze nadien los.
- Rem eerst en druk pas daarna de koppeling in wanneer dat nodig is om te schakelen of om te voorkomen dat de motor bij het stoppen stilvalt.
- Hou de koppeling los in bochten en bij het vlot doorrijden van kruispunten. Pas je snelheid en versnelling vooraf aan, zodat je met de auto in versnelling doorrijdt.
- Gebruik lichten, ruitenwissers en ontwaseming zelfstandig wanneer nodig.
- Vertrek gecontroleerd op een helling en beveilig de auto bij het verlaten.
2. Plaats op de openbare weg
Kies een veilige en reglementaire plaats op de rijbaan.
- Hou voldoende rechts, met veilige afstand tot geparkeerde voertuigen en andere weggebruikers.
- Kies tijdig de juiste rijstrook en volg pijlen en wegmarkeringen.
- Respecteer doorlopende strepen en de bestemming van busstroken, fietspaden en andere weggedeelten.
- Let op verboden rijrichtingen en toegangsverboden.
3. Bochten
Bereid een bocht voor en behoud controle over je rijlijn.
- Kijk vooruit door de bocht en schat het verloop in.
- Pas je snelheid vóór de bocht aan en schakel indien nodig vooraf terug.
- Laat de koppeling vóór de bocht los.
- Bij rechts afslaan: draai kort en blijf op je eigen weggedeelte, zonder de boordsteen of het voetpad te raken.
- Bij links afslaan: draai breed, zonder de bocht af te snijden, en kom op de juiste plaats op je eigen weghelft uit.
4. Kruisen en inhalen
Schat ruimte, zicht en tegenliggers in vóór je voorbijrijdt.
- Hou voldoende zijdelingse afstand bij het kruisen en voorbijrijden.
- Bij een hindernis aan jouw kant: vertraag tijdig en stop indien nodig voor tegenliggers.
- Controleer vóór het inhalen de weg vooruit, je spiegels en de dode hoek. Geef je richting aan.
- Haal alleen in waar het toegelaten en veilig is. Keer veilig terug naar je normale plaats.
- Hou bij fietsers en bromfietsers minstens 1 meter afstand binnen en 1,5 meter buiten de bebouwde kom.
5. Richtingsverandering
Kijk, communiceer en voer je beweging gecontroleerd uit.
- Controleer je spiegels en, waar nodig, de dode hoek vóór je van richting of rijstrook verandert.
- Geef je richting tijdig aan en stel je correct op.
- Voer de beweging met aangepaste snelheid uit.
- Verleen de vereiste voorrang en hinder geen andere weggebruikers.
- Volg verplichte rijrichtingen en respecteer afslagverboden.
6. Voorrang
Herken elke voorrangssituatie op tijd.
- Nader kruispunten met aangepaste snelheid en kijk voldoende.
- Pas voorrang van rechts toe waar deze geldt.
- Respecteer voorrangsborden en stop volledig bij een stopbord.
- Verleen bij een manoeuvre voorrang aan andere weggebruikers.
- Bij bord B19 laat je tegemoetkomende bestuurders voorgaan.
- Verleen niet herhaaldelijk onnodig voorrang wanneer dit verwarring of gevaar veroorzaakt.
7. Verkeerslichten en bevelen
Merk lichten en aanwijzingen tijdig op en reageer correct.
- Volg de bevelen van bevoegde personen.
- Stop voor rood. Stop voor vast oranjegeel wanneer dit nog veilig kan.
- Rij extra voorzichtig voorbij een knipperend oranjegeel licht.
- Respecteer rijstrooksignalisatie en aanwijzingen van gemachtigde personen.
- Rij een overweg nooit op bij rode knipperlichten, bewegende of gesloten slagbomen, of wanneer het geluidsein werkt.
8. Snelheid en verkeersinzicht
Kies een snelheid die past bij de volledige situatie.
- Herken de snelheidsbeperking en pas ze toe.
- Vertraag bij beperkt zicht, drukte, slecht weer of mogelijke gevaren.
- Rij voldoende vlot wanneer de omstandigheden dit toelaten.
- Bewaar voldoende volgafstand; gebruik de tweesecondenregel als basis en vergroot de afstand wanneer nodig.
- Nader kruispunten en voorrang van rechts met een passende snelheid.
- Vermijd onnodig plots remmen en rij geen geblokkeerd kruispunt of overweg op.
9. Gedrag tegenover andere weggebruikers
Hou rekening met wat anderen nodig hebben om veilig verder te kunnen.
- Laat voetgangers die oversteken of aanstalten maken om een zebrapad te gebruiken voorgaan.
- Bescherm fietsers en andere kwetsbare weggebruikers met voldoende ruimte en aangepaste snelheid.
- Wees extra voorzichtig bij kinderen, ouderen en personen met een beperking.
- Hou rekening met in- en uitstappende buspassagiers.
- Verleen waar vereist voorrang aan een bus die binnen de bebouwde kom zijn halte verlaat.
- Maak veilig doorgang vrij voor prioritaire voertuigen en vorm waar vereist een reddingsstrook.
10. Defensief rijden
Voorzie mogelijke gevaren en maak je eigen gedrag voorspelbaar.
- Kijk ver vooruit én rondom je. Controleer je spiegels regelmatig.
- Anticipeer op fouten en onverwachte bewegingen van anderen.
- Communiceer duidelijk met je positie, richtingaanwijzers en rijgedrag.
- Vermijd twijfelend gedrag dat anderen kan verrassen.
- Geef ruimte aan weggebruikers die een beweging al gestart zijn.
- Pas je snelheid en veiligheidsmarges aan de omstandigheden aan.
11. Zelfstandig rijden
Volg de route en blijf tegelijk veilig aan het verkeer deelnemen.
- Oefen het volgen van gps-instructies en wegwijzers.
- Blijf verkeersborden, voorrang, snelheid en je omgeving controleren.
- Verkeersregels gaan altijd vóór de route-instructie.
- Mis je een afslag? Blijf veilig rijden en vermijd plotse correcties.
- De gps staat tijdens het examen in het Nederlands; het geluid hoeft niet aan te staan.
12. Manoeuvres
Toon dat je je auto bij lage snelheid beheerst.
- Je voert twee gekozen manoeuvres uit: één uit elke manoeuvregroep.
- Groep 1: evenwijdig rechts parkeren, evenwijdig links parkeren of loodrecht achteruit parkeren.
- Groep 2: loodrecht vooruit parkeren, in rechte lijn achteruitrijden of keren in een smalle straat.
- Blijf rondom kijken, geef richting aan waar nodig en laat andere weggebruikers veilig passeren.
- Doseer koppeling, gas en rem. Stuur doelgericht en werk voldoende vlot.
- Vermijd het raken van voertuigen of hindernissen en rij niet op het voetpad of fietspad.
- Neem bij het uitstappen de nodige voorzorgen: beveilig het voertuig en controleer aankomend verkeer.
13. Gevaarherkenningstest
Herken mogelijke en directe gevaren in verkeersfilmpjes.
- Bekijk ook wat achter en naast de auto gebeurt, via de spiegels.
- Let op voetgangers, fietsers, kruispunten, zichtbelemmeringen en onverwachte bewegingen.
- De test bevat twee oefenvragen en vijf examenvragen.
- Per examenvraag zijn er vier antwoordmogelijkheden, met minstens één en maximaal drie juiste antwoorden.
- Voorbehoud bij de RPT betekent een score van 0/10 tot en met 5/10. Vanaf 6/10 ben je geslaagd voor deze test en komt dit onderdeel niet tussen je fouten te staan.
- De test maakt deel uit van het praktijkexamen. Een lagere score betekent niet automatisch dat je voor het volledige praktijkexamen niet geslaagd bent.
Onafhankelijke leerlingengids van Rijopleiding VDVL, gebaseerd op de GOCA-brochure ‘Het praktijkexamen in Vlaanderen toegelicht’ (september 2026). De voorbeelden komen uit een examenblad van 15/10/2026. Deze gids is geen officieel document van het examencentrum. Wetgeving: overtredingen per graad.
Een vraag? Contacteer de rijschool